Werken loont pas als je ervan kunt leven
NieuwsoverzichtVolgens cijfers van het CBS werden in 2025 gemiddeld 610.000 werknemersbanen betaald rond het minimumloon. Dat is ongeveer 1 op de 15 werknemersbanen in Nederland. Daarmee is minimumloonwerk geen randverschijnsel, maar dagelijkse praktijk voor honderdduizenden werknemers.
Per 1 juli 2026 stijgt het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder naar 14,99 euro bruto per uur. Dat geeft werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt enige verlichting. Maar de grotere vraag blijft overeind: loont werken nog voldoende als zoveel banen rond het minimumloon worden betaald?
Minimumloon en bestaanszekerheid
Werken loont pas als je ervan kunt leven
Een hoger minimumloon klinkt positief. Maar als honderdduizenden banen nog steeds rond die ondergrens zitten, is de vraag niet alleen wat het minimumloon wordt. De vraag is vooral of werknemers er normaal van kunnen leven.
De cijfers maken het probleem concreet
Het CBS meldt dat in 2025 gemiddeld 610.000 werknemersbanen een uurloon hadden dat maximaal 5 procent afweek van het minimumuurloon. Dat komt neer op 6,7 procent van alle werknemersbanen.
Voor werknemers met zo’n baan is de verhoging van het minimumloon direct merkbaar. Tegelijkertijd is het maar de vraag hoeveel ruimte er echt ontstaat. Huur, boodschappen, energie, zorgkosten en andere vaste lasten bewegen namelijk niet bescheiden mee omdat het minimumloon een paar dubbeltjes stijgt. Was het maar zo overzichtelijk.
Een minimumloon dat vooral probeert de inflatie bij te houden, is nog geen leefbaar loon.
Werken loont pas als je ervan kunt leven
Bij een werkweek van 40 uur komt een minimumuurloon van 14,99 euro neer op ongeveer 2.599 euro bruto per maand. Zet je dat naast een modaal inkomen van ongeveer 3.500 euro bruto per maand, dan blijft het verschil fors.
Dat verschil is niet alleen een rekensom. Het is het verschil tussen net rondkomen en enige financiële ruimte hebben. Tussen iedere rekening voelen en soms kunnen reserveren. Tussen werken voor bestaanszekerheid en werken om net niet kopje-onder te gaan.
Daarom is de vraag “werken loont?” geen vrijblijvende politieke slogan. Voor veel werknemers is het een vraag aan de keukentafel.
Minimumloon is geen randverschijnsel
Minimumloonwerk komt volgens het CBS relatief vaak voor bij jongeren, deeltijders en werknemers met een flexibel dienstverband. Van de deeltijders had 8 procent een minimumloonbaan, tegenover 4 procent bij voltijders. Werknemers met een flexibel dienstverband hadden met 13 procent veel vaker een minimumloonbaan dan werknemers met een vast dienstverband, waar dit 3 procent was.
Dat is belangrijk. Juist flexwerkers hebben vaak minder zekerheid over hun uren, rooster, inkomen en toekomst. Als daar ook nog een laag loon bij komt, wordt bestaanszekerheid wel erg dun.
Bij uitzendbureaus is het aandeel minimumloonbanen met 20 procent het hoogst. In de horeca gaat het om 16 procent. Absoluut gezien zitten de meeste minimumloonbanen in de handel en bij uitzendbureaus. Samen zijn deze twee bedrijfstakken goed voor ongeveer de helft van alle minimumloonbanen.
De kern in één zin
Als honderdduizenden werknemers rond het minimumloon verdienen, dan is bestaanszekerheid geen theoretische discussie maar dagelijkse praktijk.
Jongeren verdienen ook serieuze aandacht
Een kwart van de minimumloonbanen is volgens het CBS voor jongeren van 20 tot 25 jaar. In deze leeftijdsgroep wordt 16 procent van de banen rond het minimumloon betaald.
Dat past bij wat LBV vaker ziet: jongeren draaien volop mee op de werkvloer, maar worden nog te vaak gezien als goedkope arbeid. Natuurlijk bouwen jongeren ervaring op. Maar ervaring opdoen mag geen excuus zijn voor structureel lage beloning.
Een degelijk loon kent wat LBV betreft geen leeftijd. Zeker niet wanneer jongeren zelfstandig wonen, studeren, reizen, boodschappen doen en dezelfde prijs betalen aan de kassa als ieder ander.
Als het minimum stijgt, mogen cao-lonen niet stilvallen
Het CBS constateert dat het minimumloon de afgelopen vijf jaar sterker is gestegen dan cao-lonen en inflatie. Begin 2025 lag het minimumloon ongeveer 33 procent hoger dan vijf jaar eerder. Dat is positief, maar het roept ook een vervolgvraag op.
Als het minimumloon stijgt, maar cao-lonen daarboven onvoldoende meebewegen, ontstaat scheefgroei in het loongebouw. Werknemers met meer ervaring, verantwoordelijkheid of vakkennis komen dan steeds dichter op het minimumloon te zitten.
Dat zorgt voor frustratie op de werkvloer en zet de waardering van vakmanschap onder druk. Daarom moet de discussie over het minimumloon altijd samengaan met een bredere discussie over loonontwikkeling in cao’s. Niet alleen de ondergrens moet omhoog. Ook de lagen daarboven moeten eerlijk blijven.
LBV: minimumloon is nog geen leefbaar loon
LBV vindt dat indexatie noodzakelijk is, maar niet voldoende. Een minimumloon dat vooral probeert de inflatie bij te houden, is nog geen leefbaar loon. Zeker niet als vaste lasten hoog blijven en veel huishoudens nauwelijks buffer hebben.
Werk moet zekerheid geven. Niet alleen net genoeg zijn om de volgende rekening te halen. Als 610.000 banen rond het minimumloon zitten, hebben we het niet over een uitzondering. Dan hebben we het over een structureel onderdeel van de arbeidsmarkt.
Conclusie: werken moet meer zijn dan overleven
De stijging van het minimumloon per 1 juli 2026 is welkom. Voor veel werknemers maakt iedere verhoging verschil. Maar de kernvraag blijft of werken tegen minimumloon in Nederland voldoende is om een volwaardig bestaan op te bouwen.
LBV blijft daarom pleiten voor eerlijke lonen, sterke cao’s en arbeidsvoorwaarden die werknemers niet alleen laten werken, maar ook laten leven. Want werken loont pas echt als je ervan kunt leven.
Twijfel je of jouw loon klopt?
Controleer je loonstrook, je cao en je arbeidsvoorwaarden. Kom je er niet uit of twijfel je of je krijgt waar je recht op hebt? LBV kijkt met je mee.
Bron: CBS, “610 duizend banen betaald tegen het minimumloon”, gepubliceerd op 29 april 2026.